Technisch is het allang mogelijk massa’s data breed beschikbaar te stellen. Toch gebeurt dat verhoudingsgewijs maar mondjesmaat. Barrières zoals privacy, angst om data te delen en het ontbreken van businessmodellen staan grootschalige interoperabiliteit in de weg. “De ideale wereld waarin elke vorm van data met elk ander datapoint is te matchen, is nog ver weg”, zegt dr. Georgios Exarchakos, assistent professor aan de afdeling Electgrical Engineering van de TU-Eindhoven.

Grootschalige toepassing van sensor data verloopt trager dan voorheen werd gehoopt. “In 2010 werd gesproken over miljarden apparaten die met elkaar verbonden zouden worden. Nu wordt al over biljarden apparaten gesproken. Maar die miljarden verbonden apparaten uit 2010 zijn er nog niet eens”, aldus dr. Georgios Exarchakos. “Er worden massa’s data gegenereerd, maar die kunnen niet geïntegreerd worden.”

Deels komt dat doordat er simpelweg teveel data zijn. “We werken aan algoritmes die steeds beter kunnen omgaan met die data. Computers hebben genoeg rekenkracht, maar de algoritmes zijn nog niet slim genoeg.”

Obstakels

Maar technologische barrières zijn niet het hoofdprobleem. Er zijn andere obstakels, zoals angst voor privacyverlies, huiver om data te delen of weerzin om bestaande businessmodellen op te geven. “Grote spelers in de markt zijn terughoudend hun data te delen”, stelt de onderzoeker. “Ze moeten hun businessmodellen veranderen en dat kost tijd. Dat maakt het lastig om standaarden te ontwikkelen.”

Positief is dat kennisinstituten en bedrijven steeds beter samenwerken. “Ze moeten samen businessmodellen ontwikkelen en manieren verzinnen om winst te maken met data. Bedrijven verkopen nu vooral apparaten en geen diensten. Klanten zitten daardoor in een ‘locked-in-model’. De focus ligt daardoor niet bij de data die hun apparaten genereren. Langzamerhand komt daar verandering in. “Nederland en Europa moeten daarbij wel opletten dat ze niet door landen als China, India en Zuid-Korea worden ingehaald. Volgens Exarchakos bestond in Nederland lange tijd een kloof tussen kennisinstituten en bedrijven. “Er zat veel kennis bij kennisinstellingen, maar er waren te weinig ingenieurs bij bedrijven om businessmodellen te ondersteunen. Sinds kort wordt er veel meer samengewerkt tussen bedrijven en instituten.”

Het Internet of Things zal zich daarom heel geleidelijk ontwikkelen, voorspelt Exarchakos. “In het begin zal dat nog met hulp van mensen zijn, maar geleidelijk steeds meer zonder mensen. Er zullen altijd mensen nodig zijn. Maar die kunnen zich meer richten op creatieve taken en de simpele processen aan het Internet of Things overlaten.”

Voedselproductie

Evolutie dus, in plaats van een verwachte revolutie. Alleen de voedselproductie zou volgens Exarchakos wel eens aan de vooravond van een revolutie kunnen staan. Als liefhebber van olijfolie zou de Griekse wetenschapper graag alles willen weten over de achtergrond van de fles olijfolie in zijn keukenkastje. Sensoren in de olijfgaard laten registreren welke chemicaliën zijn gebruikt, andere sensoren laten meten onder welke omstandigheden de olie geperst, gebotteld en vervoerd is. “Technisch is het mogelijk om die data aan de consument beschikbaar te stellen, maar niemand doet het nog. De technologie is er klaar voor en het bewustzijn van de consument ten aanzien van voedselveiligheid is hoog. De hele productie- en transportketen van voedsel is nu niet transparant. Dat kunnen we makkelijk en goedkoop verbeteren met het Internet of Things.”