De ‘duurzame stadsregio’ is de ontwikkelopgave van de 21e eeuw

“Het thema van de duurzame stad staat voor meer dan energietransitie, hernieuwbaarheid of stadslandbouw.” Dat zegt Hans Mommaas, directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Wat we nodig hebben volgens de hoogleraar Regional Sustainability Governance is slimme stedelijkheid. Dat is het besef van het belang van veerkrachtige stedelijke regio’s die in staat zijn tot maatschappelijke vernieuwing.

Mommaas (1955) kijkt op zijn universiteitsdag vanachter zijn bureau over de campus van Tilburg University. Een mooi terrein dat de afgelopen jaren gedegen is opgebouwd. De universiteit behoort inmiddels tot de beste 2% van de wereld. “Laten we voorop stellen dat Nederland het heel goed doet in vergelijking met de rest van Europa als het gaat om stedelijke vernieuwing”, begint hij zijn pleidooi. “Ondanks alle negatieve berichten kennen wij sinds 1990 een banengroei. En dat geldt voor alle sectoren. Nederlandse steden kunnen goed mee in de mondiale concurrentie. Steden als Amsterdam, Utrecht en Eindhoven hebben een grote aantrekkingskracht. Ze zijn compact gebouwd, overzichtelijk en gestructureerd. Ondanks dat het ‘grote’ steden zijn is het er prettig wonen. Dat komt onder meer omdat de natuur in Nederland altijd dichtbij is, wij een grote sociale samenhang kennen en – heel belangrijk – onze steden schoon zijn. Maar we zitten wel op een kentering want de randstadbevolking gaat groeien en steeds meer jonge mensen blijven met hun gezin in de stad wonen. Dat is enerzijds natuurlijk positief, maar anderzijds neemt daardoor ook de druk op de stad toe.”

Prof. dr. ir. Mommaas doelt hiermee op de zogeheten derde stedelijke revolutie die gaande is. Onze samenleving verandert van een industrie gedreven economie naar een ‘slimme’ diensteneconomie. “Ons concurrerend vermogen hebben we daarin meer te danken aan creatief hoger opgeleiden en minder aan goedkopere arbeidskrachten. In die diensteneconomie gaat het om contact en communicatie en niet zozeer om fysieke werkzaamheden. Daardoor neemt de aantrekkelijkheid van de stad toe, met name voor hogere betaalde banen. Maar aan de andere kant ontstaat daardoor het gevaar van een toenemende sociale ongelijkheid. Niet alleen tussen het centrum en de buitenwijken van de stad, maar ook tussen de randstad en de rest van Nederland en tussen de steden en het platteland in het algemeen. Zie onze bevindingen hierover in rapporten als ‘Slimme Steden’ en ’De Verdeelde Triomf’”.

Uitdagingen

Volgens Mommaas ligt de oplossing in de uitdaging om steden zo goed mogelijk in te richten voor een optimaal woongenot bij een toenemende bevolking.”De hoge bevolkingsdichtheid maakt het mogelijk hoge ‘stedelijke kwaliteit’ te behouden en tegelijkertijd minder grondstoffen te gebruiken. De uitdaging voor slimme stedelijkheid is om daarop voort te bouwen en zo de veerkracht van onze steden te vergroten. Daarvoor is kennis nodig over hoe de stad werkt als een samenhangend ‘systeem’. En bestuurders die zich door die kennis laten informeren en inspireren. En een landelijk en Europees beleid dat de regio en haar bestuur daartoe in staat stelt, zoals met ruimte voor een grotere variatie van energievoorzieningen, met een ‘slimme’ belasting van goederen en diensten die rekening houdt met milieueffecten, met werkbare aanbestedingsregels, met goed vertakte en toegankelijke vervoerssystemen, met goede verbindingen tussen de stad en de natuur.”

Klinkt logisch. Maar hoe realiseer je zo een slimme stedelijkheid in de praktijk? Mommaas: “‘Slimme stedelijkheid’ staat voor een meer strategische benadering van de ontwikkeling van de stad, gericht op het maken van aantrekkelijke en leefbare steden. Slimme stedelijkheid richt zich op het vinden van oplossingen voor problemen waarvan we de urgentie een beetje zijn kwijtgeraakt. Denk aan de grote variatie aan bewegingen tussen stad en land: van water, afval, energie, voedsel, materialen, maar ook van mensen. Daarvoor is het een en ander nodig. Allereerst moet de plek waar men werkt door goede planning bereisbaar blijven. Een tweede vereiste is dat we onze welvaart kunnen behouden terwijl we tegelijkertijd het gebruik van fossiele bronnen met negentig procent terugbrengen. Alleen zo kunnen we een schone economie bereiken in 2050. Stedelijke planning wordt in de 21e eeuw alleen niet langer van bovenaf opgelegd, maar is een zaak van iedereen geworden. Publieke partijen werken samen met private partijen, maatschappelijke organisaties en individuele burgers. Het gaat immers óók om het isoleren van woningen en het verminderen van de emissies van onze auto’s en scooters. Daarvoor heb je de burgers zelf nodig en dus onderlinge betrokkenheid. Want wie bepaalt wanneer een probleem naar wens is opgelost, oftewel wanneer een stad leefbaar en prettig is? Niet de (lokale) overheid, maar de stedelingen zelf. Steden worden immers gevormd door mensen, elk met eigen gevoelens en zorgen. Zij alleen kunnen uiteindelijk bepalen of de gekozen strategische oplossingen slim zijn of niet.”

“Het is niet de vraag óf daarbij bemoeienis nodig is van de overheid”, besluit Mommaas zijn relaas. “Die bemoeienis is evident, al was het alleen maar omdat de duurzame stad vraagt om creativiteit en experimenteerruimte, iets waar we alleen maar aan toe komen in een enigszins vertrouwenwekkende en veilige omgeving. Het is eerder de vraag hóe het concept van de slimme stedelijkheid zal worden ingezet en of de overheid zich daarbij voldoende dienstbaar weet op te stellen voor de ideeën uit de stad zelf.”
De stad in trek (bron PBL.nl)