De term ‘smart cities’ kom je tegenwoordig overal tegen. De term houdt een belofte in van innovatieve stedelijke planning, voortgestuwd door ‘slimme technologieën’, die weer moeten leiden tot veiligere, schonere en vooral meer efficiënte steden. Maar worden steden wel beter door het gebruik van slimme technologieën alleen? Ik betwijfel het en pleit persoonlijk liever voor het gebruik van de term ‘smart urbanism’, slimme stedelijkheid, in plaats van het kritiekloze gebruik van ‘slimme steden’.

‘Slimme stedelijkheid’ staat voor een strategische benadering met als doel: bouwen aan blijvend leefbare, prettige steden. Slimme stedelijkheid heeft onder meer tot taak het vinden van oplossingen voor problemen waarmee men tot nu toe weinig rekening hield. Denk aan het probleem van de ‘stofwisseling’ van steden, dat onder de aandacht is gebracht tijdens de Architectuur Biënnale Rotterdam van afgelopen jaar. De grote variëteit aan stromen tussen stad en natuur: water, afval, energie, voedsel, mensen en materialen.

Wie bepaalt wanneer een probleem naar wens is opgelost, oftewel wanneer een stad leefbaar en prettig is? Niet de (lokale) overheid, maar de stedelingen zelf. Steden worden immers gevormd door mensen, elk met eigen gevoelens en zorgen. Zij alleen kunnen uiteindelijk bepalen of de gekozen strategische oplossingen slim zijn of niet.

Wereldwijd gezien hebben Europese steden een geweldig goede positie. Ze zijn relatief compact, deels als gevolg van hun ontstaansgeschiedenis – denk aan de traditioneel ommuurde steden uit de middeleeuwen. Weelderige parken en levendige pleinen, vriendelijke rivierbanken, goed-beschermde voet- en fietspaden: veel Europese steden worden als prettig ervaren door hun bewoners en bezoekers.
Die hoge dichtheid maakt het mogelijk deze hoge ‘stedelijke kwaliteit’ te behouden en tegelijkertijd relatief weinig grondstoffen te verbruiken. De uitdaging voor slimme stedelijkheid is dus om voort te bouwen op basis van deze traditie en tegelijkertijd de veerkracht van onze steden te vergroten.

Daarvoor is het een en ander nodig. Allereerst moet de plek waar men werkt door goede planning bereisbaar blijven. Het economische succes van steden als London en Parijs heeft namelijk als neveneffect gehad dat lagere en middeninkomens van de binnenstedelijke huizenmarkt zijn verdreven. Dit is terug te zien in de toename van de reistijd voor woon-werkverkeer van bijvoorbeeld verpleegkundigen, politieagenten en docenten.

Een tweede vereiste is dat we onze welvaart kunnen behouden terwijl we het gebruik van fossiele bronnen met negentig procent terugbrengen. Alleen zo kunnen we een schone economie bereiken in 2050.
Stedelijke planning in de 21e eeuw wordt echter niet langer van bovenaf opgelegd, maar is een zaak van iedereen geworden. Publieke partijen werken samen met private partijen, maatschappelijke organisaties en individuele burgers. Het gaat immers óók om het isoleren van woningen en het verminderen van de emissies van onze auto’s en scooters.

Steden zijn, kortom, genoodzaakt strategieën te ontwikkelen om leefbaar te blijven en efficiënter te worden. Nieuwe stedelijke data zijn daarbij van enorm belang: dankzij deze data hebben we inzicht in welke ontwikkelingen wenselijk en mogelijk zijn. Slimme stedelijkheid verbindt tenslotte nieuwe technologieën aan sociale innovaties.

Prof. dr. Maarten Hajer is directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)