In de vormgeving van nieuwe steden speelt informatie een sleutelrol. Vanuit mijn vakgebied, Publiek Management, kijk ik hoe informatie-infrastructuren, ICT-systemen en databeheer af te stemmen op het functioneren van de stad. En dan bedoel ik een gemeenschap van burgers en overheid die gezamenlijk zoekt naar manieren om zowel individuele als collectieve belangen te waarborgen.

Interacties in onze steden worden in steeds hogere mate gestuurd door allerlei soorten data. In recente nota’s van diverse gemeenten valt te lezen dat men sterker wil sturen op basis van data. Gemeentelijke overheden verzamelen continu data over verkeer, veiligheid, geluid en nog veel meer om beleid en diensten te optimaliseren. Maar niet alleen overheden proberen de stad te doorgronden aan de hand van data. Bedrijven en burgers ontwikkelen zelf ook datastructuren. Bedrijven verzamelen bijvoorbeeld allerlei gegevens om gericht te adverteren. Google Now zorgt ervoor dat je een notificatie krijgt als je in de buurt van een winkel bent die iets verkoopt waar je eerder naar hebt gezocht. Burgers maken ook gebruik van data om toeristische attracties, sluiproutes in het verkeer en de hipste koffietentjes te vinden.

De vormgeving van slimme steden is geen randverschijnsel: grote bedrijven als IBM, Cisco en Siemens willen graag hun smart city solutions verkopen. De gretigheid waarmee zij zich hierop storten, laat zien dat de verwachtingen hoog zijn. Wereldwijd zou het gaan om een markt van 100 miljard dollar! Dit bedrag is zo hoog, omdat de verwachting is dat alle stedelijke infrastructuren een grote ICT-component zullen krijgen. Tegelijkertijd zijn bedrijven als Apple en Google bezig met het ontwikkelen van allerlei wearables zoals de Apple Watch en manieren om deze te delen, zodat burgers zich gemakkelijker kunnen organiseren. Ook hier gaat het om een markt van miljarden dollars. En de bedrijven die belang hebben bij deze vorm van stedelijke vernieuwing, ontwikkelen prachtige technologieën en aantrekkelijke toekomstvisioenen om hun producten te verkopen en steden om te vormen tot bedrijven. Daarbij komt dat dergelijke ingrepen voor gemeenten zeer aantrekkelijk zijn, omdat hiermee problemen kunnen worden opgelost zonder ruimtelijke ingrepen, zoals het aanleggen van wegen of het slopen van gebouwen; ingrepen die in het algemeen veel verzet bij burgers oproepen.

De stad kan letterlijk niet meer los van de data worden beschouwd. Wereldwijd geven steden miljarden euro’s uit aan het bouwen van dergelijke datastructuren. Datasystemen worden door vele stadsbestuurders beschouwd als de sleutel tot het aanpakken van complexe maatschappelijke en duurzaamheidsproblemen. De vorming van deze datapolissen roept echter belangrijke vragen op voor wetenschappers, bestuurders en ook gewone burgers. Hoe verandert de razendsnelle ontwikkeling in dataverzameling en -verwerking het karakter van onze politieke gemeenschappen? Want het discours over de datapolis heeft vaak een hoog Brave New World-gehalte: nieuwe steden zijn voor iedereen veiliger, schoner en welvarender. Kunnen we er zomaar van uit gaan dat iedereen profiteert van de open data? Het gaat immers niet om een neutraal systeem maar om een politieke structuur. Believers in nieuwe technologieën doen voorkomen dat deze het leven op alle fronten en voor iedereen verbeteren. We kunnen er echter niet van uitgaan dat technologie de stad versterkt. De opkomst van eerdere technologie, de auto, leidde tot een verplaatsing van het leven naar buitenwijken en het vernietigen van oude stadscentra. Dit was gunstig voor verkopers van auto’s maar ongunstig voor veel binnenstad-winkeliers. Hetzelfde kunnen we zeggen over het zichtbaar maken van sluiproutes. Dat is fijn voor automobilisten, maar niet voor de mensen die langs deze routes wonen. Dit roept de vraag op wat voor stad we eigenlijk willen construeren met nieuwe technologieën. Zijn we niet te veel op zoek naar een sterk geordend, rationeel, transparant ideaal?

Hi_Fotolia_83341471_Subscription_Monthly_M